In de brief aan de Efeziërs komen we nu bij het tweede deel van het derde hoofdstuk. Paulus schrijft hier een gebed. Het is het tweede gebed in de Efezebrief. Het eerste gebed vinden we in het eerste hoofdstuk (Ef 1:15-23). Daartussenin heeft hij een aantal dingen opnieuw uitgelegd en verkondigd. Dat sluit hij nu af met een gebed.
Het tweede gebed
Dit is de tekst:
„Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heer Jezus Christus, naar wie elke familie in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve – naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid – om door Zijn Geest met kracht standvastig te worden naar de innerlijke mens, opdat Christus door het geloof volledig in uw harten wone, en u, geworteld en gegrond in liefde, sterk moogt worden om samen met alle heiligen te vatten wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en ook de liefde van Christus te kennen, die alle kennis te boven gaat), opdat u vervolledigd wordt tot heel de vervollediging van God. Hem nu, die oneindig veel meer kan doen dan alles wat wij bidden of beseffen – naar de kracht die in ons werkzaam is –, Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeenschap en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van de eeuw der eeuwen! Amen!"
Ef 3:14-21
Daarom
Het gebed begint met het woord „Daarom". Dat verbindt het met de voorgaande uitleg. In hedendaagse taal zou men ook „Welnu!" kunnen zeggen. Paulus sluit aan bij wat hij tot dan toe heeft uiteengezet. Het gebed heeft te maken met wat eraan voorafgaat.
Daarom buigt hij zijn knieën, een manier om het gebed een religieuze vorm te geven. De knieën buigen is beeldspraak, een bekende manier van bidden. Hij zegt: „Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heer Jezus Christus." Met deze woorden geeft Paulus aan dat hij nu een gebed uitspreekt. Daarin richt hij zich tot de Vader van onze Heer Jezus Christus, dus tot God. In de Korintebrief schreef hij: „Voor ons is er echter maar één God, de Vader, uit wie het al is (en wij zijn op Hem gericht), en maar één Heer, Jezus Christus, door wie het al geworden is (en wij zijn het door Hem)" (1 Kor 8:6). Voor Paulus is het duidelijk: God, dat is de Vader, namelijk „de Vader van onze Heer Jezus Christus". Al in Efeziërs 1:3 sprak hij over de „God en Vader van onze Heer Jezus Christus".
Hij beschrijft de Vader met nog meer woorden: „naar wie elke familie in de hemelen en op de aarde genoemd wordt". Dat laat zien dat de Vader boven allen staat. Daarom is de Vader God. Paulus vult aan: „opdat Hij u geve – naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid – om door Zijn Geest met kracht standvastig te worden naar de innerlijke mens, opdat Christus door het geloof volledig in uw harten wone". Het onderscheid met Christus is duidelijk. De Vader, zo bidt Paulus hier, moet door Zijn Geest de geadresseerden van de brief sterken naar de innerlijke mens, opdat Christus daardoor en door het geloof volledig in hun harten woont.
- Wie moest sterken? Gods Geest.
- Waar moest deze de gelovigen sterken? Naar de innerlijke mens.
- Waartoe moesten de mensen gesterkt worden? Opdat Christus door het geloof volledig in hun harten zou wonen.
Dit is het gevolg van het voorgaande en heeft dus alles te maken met wat Paulus tot nu toe heeft verteld. Dat was een geheimenis, namelijk het geheimenis van Christus, dat voorheen onbekend was (Ef 3:4-5). Het geheimenis betrof de nieuwe gelijkwaardigheid van Joden en niet-Joden. Nooit eerder was dit zo duidelijk gedefinieerd. Het was een geheimenis dat Paulus in de Efezebrief onthult. Hij schreef: „Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade gegeven om aan de niet-joodse volken de onnaspeurlijke rijkdom van Christus als evangelie te verkondigen en allen te verlichten over het beheer van het geheimenis dat vanaf de eeuwen in God verborgen was geweest" (Ef 3:8-9).
Tegen deze achtergrond wordt Paulus dankbaar. Daarom buigt hij zijn knieën in gebed. Wanneer hij bovendien vermeldt dat deze Vader degene is „naar wie elke familie in de hemelen en op de aarde genoemd wordt" (Ef 3:15), benadrukt hij daarmee dat deze Vader voor allen evenzeer God is. Onderscheidingen tussen Joden en niet-Joden, die tot dan toe nog een rol speelden, doen dat nu niet meer.
Geworteld en gegrond in liefde
In dit gebed formuleert Paulus een verlangen. Voor hem is dat logisch. Voor zijn toehoorders was het volkomen nieuw. Daarom vat Paulus de gedachten misschien samen als gebed, zodat het als geestelijke werkelijkheid betekenis krijgt. Het ging niet om een pragmatische vernieuwing, zoals wanneer men de boodschap wat aanpast, zodat de toehoorders haar begrijpen. Het ging veeleer om een overweldigende nieuwe koers, tot dan toe onbekend. De boodschap was gloednieuw en ongehoord.
Paulus wenst nu dat God, die boven allen staat, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de toehoorders sterkt, opdat Christus door het geloof in hun harten woont. Dat is zowel een wens als een realisatie van het geloof. De versterking is niet belangrijk voor theologische hoogtepunten; Christus zelf moet in hun harten wonen. Niet in het denken, maar in het hart. De gekozen woorden hebben betekenis.
Het doel daarbij is dit:
„… en dat u, geworteld en gegrond in liefde, sterk moogt worden om samen met alle heiligen te vatten wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is (en ook de liefde van Christus te kennen, die alle kennis te boven gaat), opdat u vervolledigd wordt tot heel de vervollediging van God."
Ef 3:17-19
Het woord liefde wordt hier tweemaal genoemd. Ten eerste gaat het erom dat Christus in hun harten woont, en dat zij daarom (!) geworteld en gegrond worden in liefde. Dat moet opbouwen. Een doel was dat echter nog steeds niet. Het doel wordt nu pas genoemd: „om samen met alle heiligen te vatten". De nadruk ligt nu op „alle heiligen", wat zowel Joden als niet-Joden omvat. Dat was juist wat er daarvoor werd verkondigd. Nu bevinden zij zich op een nieuwe plek. Zij zijn niet langer ondergeschikt aan het volk Israël. Zij zijn niet langer „gasten van de verbondsbeloften" (Ef 2:12), maar volwaardige leden van de familie van God (Ef 2:19). In deze nieuwe situatie bidt Paulus dat zij samen met alle heiligen iets zouden vatten. Als gelijken.
Geworteld en gegrond zijn in liefde is het ene. Zij moesten echter ook de liefde van Christus leren kennen, die alle kennis te boven gaat. Dat is echter geen persoonlijk gevoel, maar een gemeenschappelijke ervaring. Zij moesten „samen met alle heiligen" de breedte, lengte, diepte en hoogte, als het ware de volle draagwijdte van deze boodschap, van deze God en Christus, leren kennen. Die draagwijdte schuilt niet in bijbelkennis; de liefde van Christus gaat alle kennis te boven.
Hier wordt de richting van Paulus duidelijk zichtbaar: geloof leidt tot liefde. Het evangelie van Gods genade en het geheimenis van Christus laten niet-Joden en Joden in de gemeenschap samenkomen. Dat is allesomvattend. Samen zouden wij dit moeten leren verstaan. Hetzelfde geldt voor het gezamenlijk leren kennen van de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat.
Gebed met een belofte
Al deze dingen moeten ergens toe leiden. Paulus beschrijft het als volgt:
„Opdat u vervolledigd wordt tot heel de vervollediging van God."
Ef 3:19
Een vervollediging is de afsluitende vervulling. Wij moeten afsluitend vervuld worden tot de afsluitende vervulling van God. Dat is een echte win-winsituatie. Wij winnen en God wint. Zo schetst de apostel het.
Het gaat hier niet om speciale effecten of bijzondere voordelen voor dit leven, zoals gezondheid, welvaart of iets dergelijks. Wanneer Paulus bidt, is dat geen thema. Het gaat hem om iets anders. Hij spreekt over wat Christus vandaag betekent voor alle niet-joodse volken van deze wereld. Dat was het geheimenis van Christus, waarover hij uitvoerig heeft bericht. Het gaat hem erom dat mensen God leren kennen. Dat vervult niet alleen ons, maar komt ook overeen met Gods eigen doel (1 Kor 15:28).
Bij deze overwegingen kan men ook denken aan wat Paulus al eerder schreef:
„In Hem wordt ook u mee opgebouwd tot een woonplaats van God in de geest."
Ef 2:22

Meer dan wij kunnen bedenken
De laatste twee verzen van dit gebed lijken een hernieuwde erkenning van God te zijn, enerzijds als getuigenis en samenvatting, anderzijds als erkenning. Het is geschreven in de vorm van een lofprijzing:
„Hem nu, die oneindig veel meer kan doen dan alles wat wij bidden of beseffen – naar de kracht die in ons werkzaam is –, Hem zij de heerlijkheid in de uitgeroepen gemeenschap en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van de eeuw der eeuwen! Amen!"
Ef 3:20-21
De verwijzing is naar God, de Vader. Hem zij de heerlijkheid (dit is de lofprijzing) in de uitgeroepen gemeenschap en in Christus Jezus. Bij Paulus vinden we geen Jezuscultus, maar een aanbidding van God. De verheerlijking van God vindt op twee plaatsen plaats: in de uitgeroepen gemeenschap en in Christus Jezus. De apostel noemt beide. Dat moet ook duidelijk maken dat geloof, lofprijzing en verheerlijking van God worden geleefd in de gemeenschap. Met andere woorden: het maakt niet uit hoe wij ons gedragen, wat wij doen en laten.
De verheerlijking van God geldt ook voor Christus Jezus. In Hem wordt God verheerlijkt. Wij hebben daar weliswaar geen invloed op, maar dat is het inzicht dat voortkomt uit Paulus’ geloof en begrip. Het is als een herinnering aan de grondslagen en het doel van het evangelie. Paulus heeft zich aan het begin van deze brief al bekendgemaakt als „apostel van Christus Jezus". Dit was „door de wil van God" (Ef 1:1).
Wanneer wij bedenken hoe eerder onbekende geheimenissen bekendgemaakt werden, de gelijkstelling van Joden en niet-Joden, dan krijgen we een idee van hoe God werkt. Hij is bovenmate gul, genadig en wijzer dan men zou kunnen verwachten. „Het schijnbaar dwaze van God", schreef Paulus aan de Korintiërs, „is wijzer dan de mensen, en het schijnbaar zwakke van God is sterker dan de mensen" (1 Kor 1:25). Dat is de God die „oneindig veel meer kan doen dan alles wat wij bidden of beseffen".
Wat men hieruit kan leren, is dat Paulus niet zomaar leer, theologie of wijsheid verkondigt, maar zelf vol verwondering is over de grootheid van God, die alles te boven gaat wat hij zich kan voorstellen. Die verwondering is geen weten, maar gaat, net als de eerder genoemde liefde van Christus, alle kennis te boven. Dat is meer dan wij kunnen bedenken.

