Er bestaat een uitdrukking: „waardig sterven”. Maar hoe zit het met „waardig leven”? Begint niet alles met wat wij vandaag doen en laten? Waardig leven is geen willekeurig onderwerp. Paulus heeft er al over gesproken. Over zo’n tekst gaat deze bijdrage.
Paulus schrijft:
„Ik spreek jullie nu toe – ik, de gebondene in de Heer – om de roeping waardig te wandelen waartoe jullie geroepen werden.”
Ef 4:1
„Waardig wandelen” is hier de zorg van de apostel voor de lezers van de brief. Dit „wandelen” is de dagelijkse levenswandel, het alledaagse leven. Het referentiepunt daarvoor noemt hij meteen: men moet zijn roeping waardig wandelen. Paulus noemt dat zo: „om de roeping waardig te wandelen waartoe jullie geroepen werden.” Deze wandel is dus iets als de uitdrukking van die roeping. Het verklaart weliswaar nog niet wat „waardig” betekent, maar het geeft in elk geval een samenhang.
De eerste drie hoofdstukken van de brief aan de Efeziërs gaan over de leer. De laatste drie hoofdstukken, aan het begin waarvan wij hier staan, spreken over de levenswandel die op die leer gebaseerd is. Deze eerste verzen van het vierde hoofdstuk zijn een soort inleiding op het tweede deel van de brief. Daarmee zet Paulus de toon en maakt hij duidelijk wat hij nu beoogt.
De roeping
Paulus had eerder al over de roeping gesproken.
„Opdat jullie weten wat de verwachting van Zijn roeping is.”
Ef 1:18
Enkele verzen verder in het vierde hoofdstuk noemt hij het nogmaals:
„Zoals jullie ook geroepen werden tot één verwachting van jullie roeping.”
Ef 4:4
Dat zijn geen toevalligheden. Zo beschrijft de apostel een thema dat door heel zijn brief heen loopt. Het is zeker niet het enige aspect dat herhaald wordt, maar de herhaling moet de aandacht trekken. Het eerste citaat komt uit het eerste hoofdstuk, uit een gebed voor de gelovigen dat Paulus heeft opgeschreven. Zij moesten iets weten en inzien. Daarvoor bidt hij. Dat legt hij uit. Het gaat om een verwachting, en wel om „één” verwachting, die evenzeer geldt voor gelovigen uit de joden als uit de niet-joden. Er zijn geen verschillen meer. Hierover is in deze reeks over de brief aan de Efeziërs al uitvoerig gesproken.
Deze ene roeping is zo bijzonder dat het er nu om gaat de uitwerking in het dagelijks leven te schetsen. Daarmee is niet zozeer ons dagelijks leven bedoeld, maar in de eerste plaats dat van de toenmalige ontvangers. Zij kenden nog de verschillen die hier door Paulus voor het eerst werden opgeheven. Ons zijn deze veranderingen al lang bekend. In die tijd waren de veranderingen echter overweldigend nieuw. Als wij vandaag schouderophalend zouden zeggen: „Dat weten we al lang”, dan kon men dat toen niet beweren.
Waardig wandelen
Wat „waardig” is, heeft te maken met waarden. Ze zijn alleen als interpretatie te herkennen. Anders gezegd: de vanzelfsprekendheid van waarden geldt alleen binnen een bepaalde cultuur. Als het de waarden van onze familie, samenleving of geloofsgemeenschap zijn, denken we er misschien nauwelijks over na. Zelfs verschillen daartussen kunnen we vaak met gemak overbruggen, als er genoeg overlapping is. Staat men echter buiten deze groepen, dan is die vanzelfsprekendheid er niet. Men kent vermoedelijk andere waarden.
Wat „waardig” is, vraagt dus om een kader. De waarden krijgen betekenis binnen dat kader. Voor Paulus lijkt dat het kader van de eerste drie hoofdstukken te zijn. Daarop baseert hij zich hier. Het is de roeping waarnaar hij verwijst en die hij eerder heeft toegelicht.
Het woord wordt vaker gebruikt. We lezen het bijvoorbeeld hier:
„Ik beveel jullie Febe aan, onze zuster, die ook dienares is van de uitgeroepen gemeenschap in Kenchreeën, dat jullie haar opnemen in de Heer, de heiligen waardig, en haar bijstaan in welke zaak zij jullie nodig zou hebben.”
Rom 16:1-2
„Wandelt slechts als burgers, het Evangelie van de Christus waardig.”
Fil 1:27
„Om de Heer waardig te wandelen en Hem in elk opzicht te behagen – als zij die in elk goed werk vrucht dragen.”
Kol 1:10
„Wij … getuigden hoe jullie Gods waardig zouden willen wandelen.”
2 Tess 2:12
Ook Johannes gebruikt het begrip:
„Je zult er uitstekend aan doen hun het geleide te geven, zoals het Gods waardig is.”
3 Joh 1:6
Het begrip „waardig” wordt hier verbonden met God, de Heer en het Evangelie. Het gaat om een geloofshouding die met andere begrippen zoals hulpvaardigheid wordt gekenmerkt. Als iets de Heer of God waardig zou moeten zijn, weerspiegelt de geloofshouding die gedachte. Voorbeeld: wie bijvoorbeeld genade heeft ervaren, spreekt daarom over genade en bewijst genade. Dat lezen we in hetzelfde hoofdstuk:
„Bewijst elkaar genade, zoals ook God jullie in Christus genade bewijst!”
Ef 4:32
Het begrip „waardig” wordt ook gebruikt in verband met „eer”. Westerse samenlevingen worden minder door „eer” gedragen dan menige oosterse cultuur. De Bijbel komt echter uit een oosterse cultuur en we moeten erop letten hoe de woorden worden gebruikt. Paulus noemt elders bijvoorbeeld:
„De oudsten die voortreffelijk leiding hebben gegeven, moeten dubbele eer waardig geacht worden.”
1 Tim 5:17
Evenzo zou men het woord „eer” zachtjes op de achtergrond kunnen horen wanneer Paulus schrijft:
„Dat onze God jullie de roeping waardig moge achten.”
2 Tess 1:11
„Waardig” is de vanzelfsprekendheid van een houding in een gemeenschap die eervol handelen „waardeert”. Dat kan men natuurlijk opvatten als een zorg van Paulus, die in een bepaalde cultuur staat. Bovendien kunnen we ons afvragen of die zorgen ook de onze zouden kunnen zijn. Dat zou dan de aanpassing aan de huidige tijd zijn. Willen we zoiets op het spoor komen, dan gaat het in het verdere verloop van deze hoofdstukken om veel afzonderlijke aspecten.

