Het zelfbeeld van sommige christenen wordt erdoor gekenmerkt dat men „in of aan de Bijbel gelooft". Wat bedoelt men daarmee? Waartoe dient dit idee?
Niemand in de Bijbel geloofde „in de Bijbel". De Bijbel bestond namelijk nog niet in de tijd van de Bijbel. Noch Jezus, noch de apostelen of de eerste gemeenschappen kenden een Bijbel zoals wij die vandaag bezitten. Het was eenvoudigweg onmogelijk om „in de Bijbel te geloven". Niemand deed dat. Mensen geloofden en vertrouwden God (Ps 25:2; Jes 12:2; Hand 27:25).
Een codewoord
Wie zegt aan de Bijbel te geloven, beroept zich niet op de Bijbel, maar op een late traditie. Men bekent dus tegenover anderen dat men „zo en zo denkt". Het is een uitdrukking die als identiteitskenmerk, groepslidmaatschap en als „codewoord van bijzondere rechtgelovigheid" betekenis krijgt. Omdat dit echter niets met de Bijbel te maken heeft, is de uitdrukking regelrecht misleidend. De verwijzing naar de Bijbel en naar een „juist" geloof is er wel, maar wordt in de Bijbel zelf nergens zo gedefinieerd. De verwijzing is kunstmatig. Ze wordt als interpretatie en religieuze gedragswijze aan de Bijbel en aan het eigen gedrag opgelegd.
Ik begrijp dat deze begrippen belangrijke oriëntatiepunten voor een christelijke identiteit kunnen zijn. Voor veel mensen definiëren ze wezenlijke delen van de geïnternaliseerde geloofsvoorstellingen. Ze wekken echter ook de suggestie van iets dat er niet is, namelijk de verwijzing naar de Bijbel en dat „de Bijbel precies zegt wat wij vandaag in onze gemeenschap geloven". Ik wijs op wat er in de Bijbel niet staat, zodat men tussen traditie en Bijbel kan onderscheiden. Pas zo’n onderscheid schept helderheid over de eigen geloofsvoorstellingen.
Wie dus meent zich op de Bijbel te baseren, maar in werkelijkheid alleen in een traditie staat, mag dat ontdekken. Daarmee definieer ik niet wat „juist of onjuist" is, maar maak ik een differentiatie mogelijk die behulpzaam kan zijn bij een eigen standpuntbepaling.
„Echte christenen", zo concluderen sommigen, „geloven in de Bijbel". Dat men in God gelooft, is gewoon nóg een geloof. Om het ongemak van deze tweedeling weg te nemen, spreekt men graag over de Bijbel als Gods woord, dat onfeilbaar zou zijn en — bijgevolg — met God zou kunnen worden verward. Hier komen we uit bij de traditie en de leer van de onfeilbaarheid van de Bijbel. Ook deze leer was de Bijbelschrijvers vreemd. Het zijn tradities die de blik op de Bijbel vertroebelen, maar als „bijbelgetrouw" worden verdedigd.
Niemand in de Bijbel was „bijbelgetrouw". Wanneer dat eenmaal opvalt, kan men het niet meer over het hoofd zien. Uitdrukkingen als „bijbelgetrouwheid", „in de Bijbel geloven" of ideeën over de „goddelijkheid van de Bijbel" ontspringen aan tradities. Het zijn codewoorden waarmee men het lidmaatschap van een bepaalde traditie markeert. Dat is niet verkeerd, zolang men vasthoudt aan het besef dat de vlag de lading niet dekt. Men gebruikt woorden buiten hun veronderstelde context, of woorden en ideeën die vreemd zijn aan die context.
Biblicisme
Wie in de Bijbel gelooft en zichzelf als bijbelgetrouw beschouwt, staat inhoudelijk dicht bij het begrip „biblicisme". Biblicisme is een diagnose. Het is een dwaling van het geloof, waarin de Bijbel de plaats van God inneemt. Het is een vervangend geloof. Zo’n geloof ontstaat naar mijn waarneming vooral in evangelische kringen.
Het is trouwens niet de enige ontsporing. Kerken van de Reformatie staan vaak in een sterke theologische traditie die zich overwegend verstandelijk presenteert. Geloven en denken liggen dicht bij elkaar. Het is geen holistische benadering, maar een bepaalde keuze. Een overwegend verstandelijk christendom kan even problematisch zijn als een biblicisme waarin de Bijbel boven alles wordt gesteld.
Biblicisme is het typisch evangelische idee dat alles met de Bijbel in de hand bewezen kan en moet worden. Vanzelfsprekend is het juist dat wij vandaag alleen de Bijbel als bron hebben. Er zijn goede redenen om zich met de Bijbel bezig te houden. Een biblicisme gaat echter verder en vergoddelijkt de Bijbel. Dit is de problematische ontwikkeling. Hier neemt de Bijbel niet langer alleen de rol van getuigenis op zich, maar wordt ze rechtstreeks tot dictaat van God, dat tot op de letter op de een of andere manier goddelijk moet zijn. De inspiratie van de Schrift wordt door Paulus heel anders beschreven (2 Tim 3:16-17).
Deze vermeende „goddelijkheid van de Bijbel" is een diepgaand ideologische vorming. Het is een christelijke ideologie die door evangelische tradities en subculturen wordt bestendigd. Ze blokkeert een genuanceerde kijk op de Bijbel en op geloofsvragen, mondt vaak uit in eigengerechtigheid en overmoed en daardoor in het verketteren en belasteren van anderen.
Het alternatief
Typerend biblicisme is een vorm van bijgeloof. Velen zijn ermee vertrouwd. Maar hoe zou een alternatief eruit kunnen zien? Dat is hier de vraag.
Een hindernis is vaak de aanname dat biblicisme goed is, en dat iedereen die daarvan afwijkt de Bijbel niet juist leest. Met andere woorden: elke nuancering is taboe. Er is maar één geaccepteerde versie, namelijk de eigen versie. Tot de typische conclusies in deze context behoren bijvoorbeeld:
- Wie niet gelooft zoals wij, kan geen christen zijn.
- Wie de Bijbel niet interpreteert zoals wij, gelooft God niet.
- Wij denken juist, anderen denken verkeerd.
- Wij geloven juist, anderen geloven verkeerd.
- Wij zijn bijbelgetrouw, alle anderen zijn liberaal (en van de duivel).
Deze visie is conservatief, zelfgenoegzaam en koppig. Ik heb zelf lange tijd deze visie gehad, daarom durf ik dit zo te zeggen. Zo’n visie brengt niets verder en bevordert geen ontwikkeling, laat staan een levend geloof. Voor een levend geloof moet er levendigheid aanwezig zijn. Die ontstaat niet door rigide voorschriften en ideologische aannames, maar door open vragen. Identiteit groeit als vrucht van vele eerlijke confrontaties, nooit uit blinde gehoorzaamheid aan de leer van de gemeenschap.
Een alternatief neemt de Bijbel nog steeds serieus, maar bekijkt haar niet langer uitsluitend door de bril van een bepaalde uitleg. De tekst wordt belangrijker dan de voorbarige interpretatie van hoe men de tekst moet begrijpen. Men verliest daardoor misschien een vastgeroeste visie, die men echter met nieuwsgierigheid kan compenseren. Evenzo verliest men mogelijk een valse zekerheid door zogenaamd onwrikbare waarheden. Men wint echter een vrijheid in denken en geloven, die alleen ontstaat door een persoonlijke confrontatie.
Uit ervaring blijkt dat men zich in dit proces met geïnternaliseerde vijandbeelden en angsten moet uiteenzetten. Die ontstonden doordat men zich ooit afgrensde van andere ideeën en zichzelf uitsloot van een echte discussie. Men waant zich veilig in de eigen ivoren toren. Het idee dat „alleen wij bijbels zijn en in de waarheid staan", maakte blind voor echte confrontaties die buiten het eigen denken plaatsvonden. Dat de wereld mogelijk groter is dan men vermoedde, daaraan moet men eerst wennen. Bovendien moet men differentiëren leren. Er is niet alleen zwart en wit.
Voorbeeld
De confrontatie met theologie en de Bijbel aan de universiteiten wordt in evangelische kringen vaak verketterd en verguisd. Daarmee is het idee verbonden dat iets alleen maar juist of onjuist kan zijn. Daar gaat het niet om. Terwijl velen opgroeien met een idee van absolute waarheid (in de eigen leer), is een wetenschappelijke benadering minder vastomlijnd. Ze werkt met hypothesen, onderzoekt, vergelijkt en wint daardoor ook buitengewoon nuttige inzichten. Misschien kan men daar iets van gebruiken, misschien staat men zelf ergens anders. Beide zijn prima, want men kan alleen maar onderweg zijn naar betere inzichten. Mooi, wie daarvoor de moed opbrengt en bewust naar groei streeft.
Alternatieven moet men zelf uitwerken. Er zijn koppige ideologen in elk kamp, of het nu evangelisch of protestants is, orthodox of atheïstisch. Afscheid nemen van onvruchtbare ideologische loopgravenoorlogen is een teken van authentieke groei.

